Hebt u ook soms het gevoel dat u leeft aan 200 per uur? Lijkt het voor u soms ook alsof de ene trend na de andere aan u voorbijzoeft terwijl u nog maar net fatsoenlijk hebt leren kennismaken met die voorlaatste? Net nu je die Manolo Blahniks hebt ingelopen, mag je ze al inruilen voor Hush-Puppies of net nu je eindelijk al je kerstballen in paars en zilver bijeen hebt gesprokkeld, hupsakee ... kerstboom met versiersel en al de vuilbak in want je mag je paars-zilveroutfit opzij schuiven voor die blauw-kopercombo. Modes volgen elkaar vandaag blijkbaar in ijltempo op. Zelfs in het meest basale segment van consumptieproducten is dat zo: ook eten en drinken gaan niet zonder de één of andere modegril.
1. Salle de bains annex kotszakje?
Ik herinner me nog heel goed hoe ik voor de eerste keer des rognons, niertjes, at. Des rognons à la Dijonnaise waren het. Een niet voor de hand liggende keuze voor een joch van 8 jaar, zou je nu zeggen. Misschien ontwaakte toen net mijn culinaire en gastronomische interesse - dat valt moeilijk te zeggen -, maar ik vind het zelf nog steeds vreemd dat die eerste bewuste kennismaking met orgaanvlees samenviel met een bijna voorhistorisch aandoende herinnering aan het eerste glas wijn dat ik bewust proefde: plots was daar het besef dat dit niet zomaar een bokaal gefermenteerd druivensap was. Dat gastronomisch ontwaken gebeurde - of all places - in een streek die door de hele wereld nog steeds, al of niet terecht, geassocieerd wordt met the decline and fall van de grote Franse keuken: Bourgondië, in een onooglijk klein dorpje da weliswaar gedomineerd werd door een ontzagwekkende vesting, maar waarvan nog slechts enkele huizen bewoond waren en waar in de vroegere pastorij de 'Hôtellerie du Château' gasten ontving.
Als ik er nu aan terugdenk, heb ik nog altijd het gevoel alsof ik door een gekleurd venstertje terugkijk in de tijd. Misschien was dat toen zelfs al zo. De minuscule kamers van het al even piepkleine hotelletje leken wel uit het Frankrijk van voor Le Grand Général te stammen. Als je eens deftig inademde, hield je er gegarandeerd een stoflong aan over, de bedden hadden nog van die ouderwetse gietijzeren frames en zware matrassen waar je geheid je vingers tussen plette en de badkamer was een nogal ironische interpretatie van de salle de bains die de moderne tijd moest binnenhalen. Wanneer je uit de douche - een gemiddelde Duitser zou er niet eens in kunnen - stapte stond je gegarandeerd praktisch in het toilet en als je op het toilet zat, hing je hoofd netjes boven de lavabo. Was dat laatste een Franse heruitvinding van het Romeinse vomitarium (de iets substantiëler variant van het alom bekende 'kotszakske')? Ik weet het niet, maar het moet gezegd: hier was wel aan de potentiële gast met een indigestie gedacht.
Gelukkig had je dat nieuwerwetse vomitarium niet nodig. Als het ameublement in l'Hôtellerie du Château verwees naar het pre-De Gaule-tijdperk, dan was de keuken daar gelukkig de grote uitzondering op. Beneden, tussen de krakende Chesterfields, bij een knetterend haardvuur, stonden enkele van die loodzware, donkere eiken tafels, die duidelijk al van generatie op generatie in de familie bleven. Door kleine glas-in-loodvenstertjes scheen er altijd wat wazig licht binnen dat overdag voor een bijna fake aandoende feëerieke sfeer zorgde. Gelukkig was de moderne tijd in de vorm van elektriciteit de eetzaal wel al binnengeslopen, want anders hadden we bij wat schaars kaarslicht vast niet kunnen onderscheiden wat voor ontzettend lekkere dingen er op ons bord getoverd werden door la maman. Ik vergeet nooit mijn eerste douzaine d'escargots of dat boterzacht, gebraiseerd melklam. La salade tiède aux escargots blijft voor mij en mijn ouders nog altijd een culinaire herinnering waarbij we met z'n gedrieën spontaan van beginnen watertanden.
2. Rognons à la Dijonnaise.
Het summum waren evenwel die niertjes. Dat gladde mondgevoel en tegelijk die stevige textuur met een pittige mosterdsaus ... ik durf het bijna nergens meer te eten, omdat ik bang ben telkens weer een complete teleurstelling op te doen. Ook dat moet nog een relict geweest zijn van vroegere tijden, want zeg nu eerlijk: waar staan er nog ergens niertjes op de kaart? In de 70ies en de vroege 80ies was orgaanvlees in, waren kikkerbilletjes bon-ton, sloeg men de kalfszwezerikken rond je oren en ging er geen sterrenrestaurant zonder foie-gras op het vaandel. Nu zijn we daar allemaal vies van: neen, foie gras en kikkerbilletjes zijn niet politiek correct dus dat eten we niet (sinds wanneer kan je met politieke correctheid eten?) en orgaanvlees, bah nee, daar walgen we allemaal van. Waarom, vraag ik me af? Waarom? Heeft dat te maken met onze spilzieke maatschappij waarin we alleen het mooiste willen en de rest maar links laten liggen? Zitten de zovele crisissen in de veeteelt er voor iets tussen? Of, vinden we gewoon dat alles wat we willen eten er 'goed' moet uitzien (en wat betekent 'goed' dan wel?)? Enfin ... , de gustatieve avonturier uithangen is niet aan iedereen besteed, maar, laten we nu eerlijk zijn, wat is er zo vreemd aan zwezeriken of niertjes? Toch qua smaak zijn dit niet de meest vreemde dingen die ik kan bedenken. Zelfs niet qua structuur of textuur. Een lever, tot daar aan toe, maar toch geen niertjes? Stevig, maar zacht vlees. En kom nu niet aandraven met dat grijsgedraaid verhaaltje dat in een niertje alle afvalstoffen van een beest opgehoopt zitten. Ik hoop van ganser harte dat dat met uw nieren niet het geval is, want anders draagt u een luid tikkende tijdbom mee in uw lichaam. Nieren zuiveren het bloed en voeren die afvalstoffen af naar uw teerbeminde blaas, toch? Meer nog, misschien is dit argument ergens een teken van onwetendheid: niertjes laten we eerst weken in melk, zodat alle bloedresten (met de eventuele afvalresidu's en ook de typische bittere smaak) uit het vlees gehaald worden.
Orgaanvlees? Als ik mag kiezen tussen een opgespoten en platgeslagen stuk vodderige Charolais uit de Delhaize (wat later meer daarover) en wat niertjes van bij een fatsoenlijke beenhouwer, dan heb ik snel gekozen. Geef mij die 'vieze' niertjes maar!
1. Salle de bains annex kotszakje?
Ik herinner me nog heel goed hoe ik voor de eerste keer des rognons, niertjes, at. Des rognons à la Dijonnaise waren het. Een niet voor de hand liggende keuze voor een joch van 8 jaar, zou je nu zeggen. Misschien ontwaakte toen net mijn culinaire en gastronomische interesse - dat valt moeilijk te zeggen -, maar ik vind het zelf nog steeds vreemd dat die eerste bewuste kennismaking met orgaanvlees samenviel met een bijna voorhistorisch aandoende herinnering aan het eerste glas wijn dat ik bewust proefde: plots was daar het besef dat dit niet zomaar een bokaal gefermenteerd druivensap was. Dat gastronomisch ontwaken gebeurde - of all places - in een streek die door de hele wereld nog steeds, al of niet terecht, geassocieerd wordt met the decline and fall van de grote Franse keuken: Bourgondië, in een onooglijk klein dorpje da weliswaar gedomineerd werd door een ontzagwekkende vesting, maar waarvan nog slechts enkele huizen bewoond waren en waar in de vroegere pastorij de 'Hôtellerie du Château' gasten ontving.Als ik er nu aan terugdenk, heb ik nog altijd het gevoel alsof ik door een gekleurd venstertje terugkijk in de tijd. Misschien was dat toen zelfs al zo. De minuscule kamers van het al even piepkleine hotelletje leken wel uit het Frankrijk van voor Le Grand Général te stammen. Als je eens deftig inademde, hield je er gegarandeerd een stoflong aan over, de bedden hadden nog van die ouderwetse gietijzeren frames en zware matrassen waar je geheid je vingers tussen plette en de badkamer was een nogal ironische interpretatie van de salle de bains die de moderne tijd moest binnenhalen. Wanneer je uit de douche - een gemiddelde Duitser zou er niet eens in kunnen - stapte stond je gegarandeerd praktisch in het toilet en als je op het toilet zat, hing je hoofd netjes boven de lavabo. Was dat laatste een Franse heruitvinding van het Romeinse vomitarium (de iets substantiëler variant van het alom bekende 'kotszakske')? Ik weet het niet, maar het moet gezegd: hier was wel aan de potentiële gast met een indigestie gedacht.
Gelukkig had je dat nieuwerwetse vomitarium niet nodig. Als het ameublement in l'Hôtellerie du Château verwees naar het pre-De Gaule-tijdperk, dan was de keuken daar gelukkig de grote uitzondering op. Beneden, tussen de krakende Chesterfields, bij een knetterend haardvuur, stonden enkele van die loodzware, donkere eiken tafels, die duidelijk al van generatie op generatie in de familie bleven. Door kleine glas-in-loodvenstertjes scheen er altijd wat wazig licht binnen dat overdag voor een bijna fake aandoende feëerieke sfeer zorgde. Gelukkig was de moderne tijd in de vorm van elektriciteit de eetzaal wel al binnengeslopen, want anders hadden we bij wat schaars kaarslicht vast niet kunnen onderscheiden wat voor ontzettend lekkere dingen er op ons bord getoverd werden door la maman. Ik vergeet nooit mijn eerste douzaine d'escargots of dat boterzacht, gebraiseerd melklam. La salade tiède aux escargots blijft voor mij en mijn ouders nog altijd een culinaire herinnering waarbij we met z'n gedrieën spontaan van beginnen watertanden.
2. Rognons à la Dijonnaise.
Het summum waren evenwel die niertjes. Dat gladde mondgevoel en tegelijk die stevige textuur met een pittige mosterdsaus ... ik durf het bijna nergens meer te eten, omdat ik bang ben telkens weer een complete teleurstelling op te doen. Ook dat moet nog een relict geweest zijn van vroegere tijden, want zeg nu eerlijk: waar staan er nog ergens niertjes op de kaart? In de 70ies en de vroege 80ies was orgaanvlees in, waren kikkerbilletjes bon-ton, sloeg men de kalfszwezerikken rond je oren en ging er geen sterrenrestaurant zonder foie-gras op het vaandel. Nu zijn we daar allemaal vies van: neen, foie gras en kikkerbilletjes zijn niet politiek correct dus dat eten we niet (sinds wanneer kan je met politieke correctheid eten?) en orgaanvlees, bah nee, daar walgen we allemaal van. Waarom, vraag ik me af? Waarom? Heeft dat te maken met onze spilzieke maatschappij waarin we alleen het mooiste willen en de rest maar links laten liggen? Zitten de zovele crisissen in de veeteelt er voor iets tussen? Of, vinden we gewoon dat alles wat we willen eten er 'goed' moet uitzien (en wat betekent 'goed' dan wel?)? Enfin ... , de gustatieve avonturier uithangen is niet aan iedereen besteed, maar, laten we nu eerlijk zijn, wat is er zo vreemd aan zwezeriken of niertjes? Toch qua smaak zijn dit niet de meest vreemde dingen die ik kan bedenken. Zelfs niet qua structuur of textuur. Een lever, tot daar aan toe, maar toch geen niertjes? Stevig, maar zacht vlees. En kom nu niet aandraven met dat grijsgedraaid verhaaltje dat in een niertje alle afvalstoffen van een beest opgehoopt zitten. Ik hoop van ganser harte dat dat met uw nieren niet het geval is, want anders draagt u een luid tikkende tijdbom mee in uw lichaam. Nieren zuiveren het bloed en voeren die afvalstoffen af naar uw teerbeminde blaas, toch? Meer nog, misschien is dit argument ergens een teken van onwetendheid: niertjes laten we eerst weken in melk, zodat alle bloedresten (met de eventuele afvalresidu's en ook de typische bittere smaak) uit het vlees gehaald worden. Orgaanvlees? Als ik mag kiezen tussen een opgespoten en platgeslagen stuk vodderige Charolais uit de Delhaize (wat later meer daarover) en wat niertjes van bij een fatsoenlijke beenhouwer, dan heb ik snel gekozen. Geef mij die 'vieze' niertjes maar!
3. Lillend vet met tartaar.
Laatst ging ik een beetje in overdrive bij de beenhouwer. Niet ver van mijn werk is een Marrokaanse slager, waar ik vroeger wel eens als student vlees ging halen omdat het niet te ver van mijn kot was (spreekwoordelijke studentenluiheid, zeker?). Het is een eenvoudige slager, zo'n echte, waar je bij het openen van de deur de geur van rauw vlees tegemoetkomt. Vlees dat aan de lucht blootgesteld, in eenvoudige koeltogen met hier en daar wat bossen peterselie ertussen bewaard wordt. Zalig. Geen gechicaneer met ontgeurders, gekruide lapjes en allerlei flutcharcuterie in de zaak en de echte stukken vlees netjes weggeborgen achteraan in koelkasten of in plastieken vol sulfiet en ik weet niet wat nog allemaal. Nee, gewoon druipend, bloederig vlees ... . Ik ga er spontaan van kwijlen.
Ik ging wat lamsgehakt halen om een ragù d'agnello te maken. Nergens zo goed als daar: enkele sneden lamsbout worden voor je ogen door de gehaktmolen gedraaid. Een beetje vet erbij, wat munt uit de tuin en je maakt er in een handomdraai een smakelijke pastasaus van afkomstig uit de Abruzzese keuken. Zo hoort dat. Terwijl ik aan telefoon hing met die andere geschifte food freak uit de Hagelandse zwijnenparel en - een beetje oneerbiedig verder bellend - mijn bestelling doorgaf, viel mijn oog op enkele bakjes met een dof glanzende, lillende en bloederige massa, uitgestald tussen de lamsbouten en de lamsnekjes. Wow! Hersentjes! Cervelles d'agneau! Was dat een gelukstreffer! Ik begon er meteen over te brallen in de telefoon. Aan de andere kant wat gegrinnik en instemmend geknor. De beenhouwer stond te glunderen achter zijn toog: het zal niet vaak gebeuren dat er één wild wordt in je slagerij. Of ik er wat van wilde? Natuurlijk. Doe me zo maar een bakje. Ik begon al te watertanden: gefrituurde lamshersentjes met een zelfgemaakte tartaar. Niet meteen goed voor de cholesterol, maar ach wat, zulke zonden zal Sint-Pieter me wel vergeven (zeker als ik een Nespresso-machine voor hem meebreng - de Bialetti houd ik wel voor mezelf). Tijdens de treinrit naar huis kon ik maar aan niets anders denken dan dat bloederige bakje dat netjes ingepakt, naast mijn rugzak, boven mijn zitplaats stond te druipen. Het pubertje met de lippiercing en de tattoo boven haar borstjes had eens moeten weten wat er boven haar zwarte geverfde sluikhaartjes hing: genoeg om in haar geval krijsend een Hannah Bondje te doen - tragisch, dat is waar.
Ik ging wat lamsgehakt halen om een ragù d'agnello te maken. Nergens zo goed als daar: enkele sneden lamsbout worden voor je ogen door de gehaktmolen gedraaid. Een beetje vet erbij, wat munt uit de tuin en je maakt er in een handomdraai een smakelijke pastasaus van afkomstig uit de Abruzzese keuken. Zo hoort dat. Terwijl ik aan telefoon hing met die andere geschifte food freak uit de Hagelandse zwijnenparel en - een beetje oneerbiedig verder bellend - mijn bestelling doorgaf, viel mijn oog op enkele bakjes met een dof glanzende, lillende en bloederige massa, uitgestald tussen de lamsbouten en de lamsnekjes. Wow! Hersentjes! Cervelles d'agneau! Was dat een gelukstreffer! Ik begon er meteen over te brallen in de telefoon. Aan de andere kant wat gegrinnik en instemmend geknor. De beenhouwer stond te glunderen achter zijn toog: het zal niet vaak gebeuren dat er één wild wordt in je slagerij. Of ik er wat van wilde? Natuurlijk. Doe me zo maar een bakje. Ik begon al te watertanden: gefrituurde lamshersentjes met een zelfgemaakte tartaar. Niet meteen goed voor de cholesterol, maar ach wat, zulke zonden zal Sint-Pieter me wel vergeven (zeker als ik een Nespresso-machine voor hem meebreng - de Bialetti houd ik wel voor mezelf). Tijdens de treinrit naar huis kon ik maar aan niets anders denken dan dat bloederige bakje dat netjes ingepakt, naast mijn rugzak, boven mijn zitplaats stond te druipen. Het pubertje met de lippiercing en de tattoo boven haar borstjes had eens moeten weten wat er boven haar zwarte geverfde sluikhaartjes hing: genoeg om in haar geval krijsend een Hannah Bondje te doen - tragisch, dat is waar.
My Chemical Romance's (nog steeds niet) Famous Last Words.
Ik zou er ook suïcidale neigingen van krijgen, maar dan waarschijnlijk om een ietwat andere reden.
Wahaaaaaaaa!
Ik zou er ook suïcidale neigingen van krijgen, maar dan waarschijnlijk om een ietwat andere reden.
Wahaaaaaaaa!
Thuis vloog die rugzak met pc meteen een hoek in en ging ik aan de slag: met zachte hand en enige elegante, liefkozende gebaren werden de hersentjes gespoeld onder een zacht lopende kraan en dan een halfuurtje te week gelegd in wat lauw gezouten water. Daarna kwam het mooiste deel: geconcentreerd en met licht masserende bewegingen van de linkerhand, begeleid door luid smakkende geluiden van de mond, middels een vlijmscherp mes de gladde, licht met slijmen gepomadeerde hersenvliezen lospeuteren en toevertrouwen aan de wriegelende wormpjes in het compostvat. Vervolgens werd de lillende massa nogmaals beminnelijk gebaad in gezouten kraantjeswater voor het komende half uur. Ondertussen werden kleine augurkjes op zuur, kappertjes en verse zilveruitjes in minuscule stukjes gehakt om onder een zelf gedraaide mayonnaise te mengen (wat extra citroen kan soms wonderen doen). De afgespoelde hersentjes mochten voor het paneren (met ei, grano duro en gedroogd broodkruim) nog even gekruid worden met peper en zout. Ik liet de glibberige partjes even rusten voor ze zachtjes aan krokant te laten worden in borrelend en schuimend frituurvet. Dit was het resultaat:

Bij deze al de hersentjes. Nu nog die turbiana? Wat zou dat toch zijn?
Mijn gemene karakter houdt u nog even in spanning.






Deze Vinikus-à-table-editie was voor mij een echte voltreffer. Als je zo stilaan weet waarvan ik spontaan ga kwijlen, dan kon je dat al afleiden uit de artikeltjes die enkele andere wijnbroeders en -zusters over die avond schreven. Er werd onmiddellijk hoog ingezet met een
Jaja, u hebt het goed gezien: wat kwam er dan bij dat eerste gerecht, na het aperitief, aan tafel? Ik ben het niet vergeten. Hoe zou een mens trouwens zoiets kunnen vergeten? Een
Duitsland, maar hij bezit ook enkele bijzondere percelen wijngaard:
Ja, u raadt het al: ik word weer een beetje kregelig van dat gemystifieer rond mariages. Zo noemt men dat immers: 'mariages'. Wat ik maar wil zeggen is dat u zich niet zo moet laten bepraten. U hoeft zich echt geen schrik te laten aanjagen door het soort elitair discours dat u graag wil doen geloven dat het paren van die ene wijn en dat ene gerecht een echte expertenzaak is. Natuurlijk wil ik daarmee niet gaan beweren dat alle sommeliers wijnverkopende clowns zijn die u maar wat opvrijen met holle praatjes. Nee, dat zou een brug te ver zijn. Niet 'alle' sommeliers zijn pathetische clowns, er zijn immers wel een paar uitzonderingen. Sommige sommeliers verstaan echt de kunst om u een wijn aan te bieden die mooi harmonieert met het gerecht dat u net al likkebaardend op de kaart aanduidde. Dat soort sommeliers is echter heel zeldzaam, maar dat heeft niets met het geheimzinnige 'het', het door een mystiek aura omgeven fingerspitzengefühl te maken.
Begrijpelijk dus dat heel wat sommeliers het na een tijdje voor bekeken houden en hun heil elders in de wijnwereld gaan zoeken. Alhoewel, voor de vrouwen onder hen is er nog hoop: bij het volgende wijnproeverijtje thuis, kan u misschien eens overwegen een dame als
Als je dat al probeert, kom je al een heel eind. Wil je nog beter scoren, ga dan denken als een fijngevoelige sommelier: wat hebben we voor deze wijn gedronken? In welke lijn lag het eten dat mijn klanten net gegeten hebben en wat voor effect gaat dat hebben op de volgende gang en de daabij gevraagde wijn? Welk effect hebben de omstandigheden op de mariage die ik voorstel? Wat voor wijnliefhebber zit daar voor me aan tafel? Misschien zijn die twee laatste vragen wel de belangrijkste. Ga bij een mooi stuk tarbot bijvoorbeeld geen beestige
Veeg er soms ook eens vierkant je voeten aan en geniet gewoon. Moet een wijn altijd passen bij een gerecht? Ja, ok, hij moet best niet vloeken bij wat je eet, maar moet ook niet altijd stof voor een uitgelezen combinatie zijn. Niet zo lang geleden vroeg ik nog eens aan een collega-blogger wat hij bij een reeks gerechten in een menu zou serveren. Hij stuurde me een mooi reeksje suggesties terug, stuk voor stuk fijne keuzes, die ik best wel zag zitten. Onderaan het reeksje stond echter: "maar als je mij zou laten doen, zou ik gewoon overal
Ik